Je hoeft geen topatleet te zijn

Maandagochtend. De wekker die afgaat als een ontsnapte kogel om 07:00 uur. Mijn hoofd zegt: ‘Blijf liggen, het leven is kort, slaap is lekker.’ Toch, ergens diep van binnen, weet ik dat ik de strijd moet aangaan. En wie anders dan Henri en de andere bootcampers om mij van mijn luiheid af te helpen? Ja, die Henri. De man met een leven vol goede bedoelingen en een bak energie waar iedereen jaloers op is.

In de zon, dat moet gezegd worden, ziet het er allemaal wat beter uit. Je stapt naar buiten, de lucht is blauw, de vogeltjes fluiten en het hondje van Henri komt je tegemoet gerend, alsof je een VIP bent die net uit een vliegtuig stapt. Wat een geluk! Die hond is altijd enthousiast en heeft eindeloos veel energie. Hij rent, hij springt, hij kijkt me aan met een blik die lijkt te zeggen: “Kom op, jij kan dit ook!”

Dat blijkt nogal tegen te vallen. Want bootcampen vraagt meer dan alleen een beetje wandelen in de zon. De eerste paar minuten voel ik me als een rijdende koektrommel. Alles kraakt, piept en protesteert. Maar dan, plotseling, denk ik aan dat hondje. Je weet wel, dat beestje dat zo vrolijk door het gras heen flitst. Hoe kan het zijn dat zo’n klein ding zoveel energie heeft? Als hij het kan, dan moet ik het ook kunnen. Toch?

Henri heeft meer geduld dan ik. Hij lacht als ik hem wanhopig aankijk en moedigt me aan. Uiteindelijk is er gelukkig ook nog tijd voor mijn lievelingsoefening. Planken. Ik kijk Henri aan met dezelfde blik als iemand die net gevraagd is een Rubik’s kubus op te lossen terwijl hij op zijn hoofd staat. Maar goed, we zijn hier nu toch. Ik zak door mijn ellebogen, span mijn buikspieren aan en wacht op de ellende.

En dan gebeurt er iets magisch. Ik houd het vol! Niet eeuwig, maar langer dan ik dacht. Mijn hele lijf trilt als een slecht afgestelde wasmachine, maar ik doe het. Henri kijkt tevreden. Ik moet toegeven dat ik iets van trots voel opborrelen tussen het zweet en de spierpijn. De training gaat door en ik begin het een beetje leuk te vinden. Wat ik had verwacht? Zweet, pijn, en de vraag: ‘Waarom doe ik dit?’ Maar wat ik krijg? Energie.

Uiteindelijk kan ik de zon zien, hoor ik mijn ademhaling in een patroon komen en voel ik me, voor het eerst in een lange tijd, gewoon goed. Mijn lichaam en geest lijken eindelijk op één lijn te zitten. De zware benen van het begin maken plaats voor een ritme dat bijna moeiteloos voelt. Elke stap voelt minder als een opgave en meer als een keuze – een keuze om door te gaan, om sterker te worden.

Na de training fiets ik met een glimlach weg. Want voor bootcampen hoef je geen topatleet te zijn. Je hoeft alleen maar te starten.

Aefke ten Haegen

Halters en Havermout

“Ik ben schrijver. Dat betekent: veel zitten, veel staren, veel denken over zinnen en heel weinig over beweging. Mijn lievelingssport is chocolade eten met mijn ogen dicht. Als ik echt fanatiek ben, doe ik het met beide handen.

En nu zit ik in de GLI. De Gecombineerde Leefstijlinterventie. Dat klinkt als iets wat je krijgt na een bezoek aan de rechtbank, maar het blijkt gewoon bewegen te zijn. Ademhalen met beleid. Groente eten zonder commentaar. Wandelen zonder eindbestemming.

Ik dacht altijd dat mijn lijf het me wel zou vergeven. Dat het zich er met wat gezucht en extra koffie doorheen zou slaan. Maar GLI is stiekem best een mooie interventie. Er wordt niet geschreeuwd. Er zijn dumbbells, ja, maar ook stilte. En havermout.

Vanaf nu blog ik hier regelmatig. Over spierpijn op plekken die ik alleen van anatomieplaten kende. Over het verschil tussen discipline en tegenzin. Over wat er gebeurt als iemand die graag zit besluit op te staan.”

Eerdere columns van Aefke

Je kan meer lezen van Aefke op haar persoonlijke website.